Motoriek » Motoriek eerste jaar
De ontwikkeling van een kind is o.a. afhankelijk van de rijpheid van het zenuwstelsel. Om te zien of een kind zich motorisch goed ontwikkelt, moet bij te vroeg geboren kinderen dan ook naar de gecorrigeerde leeftijd gekeken worden.
Strekken
Ook bij gezonde prematuren verloopt de motorische ontwikkeling in het begin anders. Hun rugspieren zijn relatief sterk ontwikkeld door het recht liggen in een ruime couveuse in plaats van opgerold in een nauwe buik. Hierdoor hebben zij de neiging hun rug en schouders te strekken, waardoor hun armen en benen wat naar achteren buigen. Vaardigheden die een kind normaal gesproken op een bepaalde leeftijd al leert, zoals kijken naar de handen, of de handen naar het midden brengen, komen daardoor relatief traag op gang.
Overstrekken kan ook het gevolg zijn van een hersenbeschadiging, soms wijst het op cerebrale parese (spasticiteit). Als je je hier zorgen over maakt, is bespreken met de kinderarts of een verwijzing vragen naar een fysiotherapeut de aangewezen weg.
Onhandigheid
Meestal zijn de afwijkingen veel minder ernstig. Zij kunnen leiden tot lichtere vormen van spasticiteit of soms alleen een wat onhandig bewegingspatroon. Ook baby’s met deze kenmerken voelen in het begin stijf aan. De kinderarts kijkt daarom in die periode steeds of een kind links en rechts even goed (symmetrisch) beweegt, of hij gericht kan bewegen en hoe zijn reflexen zijn. Maar ook als er goed wordt opgelet, kan het een aantal maanden duren voor men met zekerheid kan zeggen dat er niets aan de hand is.
Lichaamsspanning
Bij ’sterk maken’ (of overstrekken) wordt de rug hol getrokken, de armen en schouders gaan met het hoofd naar achteren, de beentjes zijn recht en gespannen. De schouders kunnen achteruit worden getrokken, de handjes tot vuistjes gebald. Soms kunnen kinderen zich erg moeilijk weer ontspannen.
Kleine afwijkingen
Ouders kunnen aan een (lichte) neurologische afwijking denken als hun kind een paar maanden na de geboorte één of twee handen nog steeds in een vuist houdt en die vuist verder weinig of niet beweegt. Ook een uitgesproken voorkeur voor de linker- of rechterhand op jonge leeftijd kan op een afwijking duiden. Het is het beste om de kinderarts dan even naar de baby te laten kijken.
Zelf controleren
Ook is het verstandig om zelf, aan de hand van het groeiboek, de ontwikkeling van het hoofd bij optillen, draaien, zitten etc. in de gaten te houden (neem wel de gecorrigeerde leeftijd). Als het bij elke ‘mijlpaal’ zo is dat het kind een stuk later is, is het goed om dat met de kinderarts te bespreken.
Zelf iets doen
Als het lichaam van een te vroeg geboren kind niet meewerkt, kunnen ouders ook zelf wat doen. Het overstrekken kan worden tegengegaan door de baby zoveel mogelijk ‘op te rollen’: armen naar voren, benen opgetrokken, rug rond. Een opgerolde deken van hoofd tot voeten langs de rug geeft het gevoel van nestelen dat de baby in de baarmoeder ook nog had. Op schoot kan het kind dat rustgevende gevoel krijgen door het in de kom van de arm te houden. En als een arm of been weinig wordt gebruikt, is het verstandig om dat te stimuleren. Dat kan door het zacht te masseren, of door het kind met spelletjes aan te moedigen om ook de minder goede arm of het minder goede been te bewegen. De fysiotherapeut kan hierbij helpen.
Bron: expertgroep motoriek KCP, maart 2007
Actualiteiten en publicaties
Auteur: Zita van der Heyden
Datum: 2 mei 1992
Meer dan honderd vragen over o.a. gezondheid, groei, ontwikkeling, medische zorg voor het...
Lees verder »