Motoriek » Neurologische ontwikkeling en motoriek

Spontane bewegingen bij zuigelingen: kijken is weten?
Er zijn verschillende methoden om in deze vroege periode een indruk te krijgen van de hersenfunctie. Observatie en analyse van spontane bewegingen blijkt een betrouwbare methode te zijn om dit te onderzoeken. Het blijkt namelijk dat het bewegingsrepertoire bij te vroeg geborenen niet zomaar wat gespartel is, maar juist bestaat uit goed gecoördineerde bewegingspatronen. Dat betekent dat de wijze waarop de bewegingen worden uitgevoerd iets zegt over het functioneren van de hersenen.

De methode van analyse van bewegingen
Vanaf het prille begin van de zwangerschap bestaat het bewegingsrepertoire uit verschillende, goed omschreven bewegingspatronen. Eén van de meest complexe bewegingspatronen is de zgn. gegeneraliseerde beweging (‘general movement’, GM). Deze komt frequent voor (meerdere malen per uur) en blijft tot enkele maanden na de uitgerekende datum in min of meer dezelfde vorm bestaan. Omdat de GMs zo complex zijn en frequent voorkomen lenen ze zich bij uitstek voor diagnostiek naar het functioneren van het centrale zenuwstelsel.

De premature en neonatale periode
Normale GMs worden gekenmerkt door een complexe opeenvol­ging van bewegingen van ledematen, hoofd en romp, waarbij de verschillende bewegingscomponenten vloeiend en vrijwel gelijktijdig in elkaar overgaan. Opvallend is de variabele, steeds wisselende intensiteit en snelheid. Ronde bewegingen van polsen en enkels, met tegelijkertijd het buigen en strekken van de ledematen, geven de GM een vloeiend, elegant karakter.
Abnormale GMs worden gekenmerkt door het ontbreken van deze complexiteit, variabiliteit en elegantie. De bewegingen zijn steeds hetzelfde (‘poor repertoire’ GMs). Als de bewegingen behalve monotoon ook stijf en verkrampt zijn, waarbij alle ledematen min of meer gelijktijdig aanspannen en weer ontspannen, noemen we dit ‘cramped-synchronised’ GMs. Een ander type afwijkende GM ziet er juist heel chaotisch uit (‘chaotic’ GMs).
Bij veel kinderen die meerdere weken ‘cramped-synchronised’ GMs worden later motorische problemen, spasticiteit, vastgesteld. Afwijkende bewegingen kunnen overigens in de loop van enkele weken tot maanden wel weer normaal worden, met name de ‘poor repertoire’ GMs. Als de GMs normaliseren – meestal voor het eind van de 2e maand na de uitgerekende leeftijd - is de prognose wat betreft spasticiteit in het algemeen goed.

De bewegingen op de jonge zuigelingen leeftijd
Het aspect van de bewegingen verandert sterk aan het eind van de 2e levensmaand (2 maanden na de uitgerekende datum). De bewegingen krijgen dan een zogenaamd ‘fidgety’ karakter, en de GMs op deze leeftijd worden daarom fidgety movements, FMs) genoemd. Fidgety betekent onrustig, niet stil kunnen zitten, en zo zien die bewegingen er ook uit: continu is er wel iets, een arm, een hand, een been, de romp of het hoofd in beweging. FMs zijn kleine, ronde, elegante bewegingen van hoofd, romp en ledematen, in alle richtingen, met een matige snelheid en variabele acceleratie. Ze blijven aanwezig tot de 15e - 20e week na de uitgerekende leeftijd.

Tijdens deze periode worden 2 verschillende vormen van abnormale bewegingen onderscheiden. De meest ernstige is het totaal ontbreken van FMs (wel kunnen er dan volop andere bewegingen zijn). De andere vorm van abnormale kwaliteit van bewegingen op deze leeftijd zijn abnormale FMs. Abnormale FMs lijken op FMs, maar snelheid, grootte van de bewegingen en rukkerigheid zijn toegenomen. Een groot deel van de zuigelingen die géén of afwijkende FMs laten zien, heeft later motorische ontwikkelingsstoornissen, m.n. als FMs afwezig zijn.
Na de leeftijd van 15 tot 20 weken post term, als normalerwijs de FMs weer zijn verdwenen, is de beoordeling van de kwaliteit van de motoriek moeilijker. Gelukkig is op deze leeftijd het standaard neurologische onderzoek redelijk goed in staat normale van abnormale bevindingen te onderscheiden.

Conclusie
Om de effecten van de therapieën en behandelingen die een kind gehad heeft ook op lange termijn te volgen is het belangrijk om bij deze groep kinderen follow-up onderzoek te doen, en te blijven doen, op latere leeftijd, om het handelen in de perinatologie en neonatologie, dus vóór en na de geboorte te evalueren. Dat is tegelijkertijd een nadeel, het duurt namelijk altijd minstens een aantal jaren voor je de gevolgen van je handelen, bijvoorbeeld nieuwe therapieën, kúnt evalueren. In dat opzicht kunnen verschillende diagnostische methoden van pas komen, die al tijdens de intensive care periode een indruk geven van het functioneren van de hersenen. Dit soort onderzoek wordt binnen de afdeling neonatologie in Groningen de komende jaren voortgezet en uitgebouwd. Door het onderzoek in deze neonatale fase onderling te combineren en te relateren aan follow-up op latere leeftijd ontstaat meer inzicht in omstandigheden die de neurologische ontwikkeling bedreigen.
Dit is een samenvatting van een artikel uit Kleine Maatjes (V.O.C.) van april 2006. Zie voor het hele artikel hieronder. Daarbij ook de tekst van de oratie van Prof Bos.
bron: Prof. Dr A. F. Bos, kinderarts-neontoloog van de Beatrix-kinderkliniek (UMC Groningen)

specialisme:


Bijlagen

doc tekst oratie prof a f bos.doc
doc artikel kleine maatjes april 2006.doc

Thema's