Gedrag, school » Op tienjarige leeftijd

Ontwikkeling van te vroeg geboren kinderen op 10-jarige leeftijd

Prematuur geboren kinderen vormen een zeer heterogene groep. De ontwikkeling verloopt niet bij alle prematuur geboren kinderen hetzelfde, ze zijn dan ook niet aan één bepaald patroon van kenmerken te herkennen. Er zijn er die niet of nauwelijks te onderscheiden zijn van het gemiddelde Nederlandse kind van dezelfde leeftijd. Ook zijn er kinderen die verstandelijk, motorisch of sociaal ernstig gehandicapt zijn en voor hun ontwikkeling aangewezen op speciale opvang. En ten slotte is er een vrij grote groep bij wie de ontwikkeling met horten en stoten verloopt en gepaard gaat met gedrags-, leer- of lichamelijke problemen. Bij deze kinderen gaat de ontwikkeling niet vanzelf, het is vaak zoeken naar een passende school en aanvullende ondersteuning.

Wat is normaal?
Daarbij moet je je afvragen wanneer je een ontwikkeling normaal noemt en wanneer afwijkend? Wat speelt daarbij een rol? Hoe kunnen ouders en opvoeders deze kinderen ondersteunen in hun ontwikkeling?
Vanuit de orthopedagogiek is en blijft een prematuur geboren kind in de eerste plaats een kind dat opgevoed moet worden. Daarnaast is er iets speciaals met dat kind aan de hand, namelijk: het is te vroeg en/of te licht bij de geboorte met als gevolg een moeilijke start en een grotere kwetsbaarheid. Dit betekent dat er steeds gebalanceerd wordt tussen het ‘sleutelen aan de problematische onderdelen’ enerzijds en het blijven zien van het normale van het kind-zijn en het daarbij behorende (opvoedende) handelen anderzijds.

Ontwikkelingsgebieden
Bij de ontwikkelingspsychologie gaat het om de betekenis van uitspraken als: ‘ons kind ontwikkelt zich normaal’ of ‘de ontwikkeling van dit kind verloopt afwijkend’. Bij het bespreken van de ontwikkeling worden meestal 3 gebieden onderscheiden:
1) Lichamelijk gebied: hoe is de uiterlijke verschijning, zijn er organische functiestoornissen?
2) Gedragsgebied: wat zie je dat een kind doet/zegt in een bepaalde situatie?
3) Sociaal gebied: hoe reageert het kind in het contact met andere mensen?
Waaraan wordt afgemeten of de ontwikkeling op die drie gebieden als afwijkend beoordeeld wordt, met andere woorden: wat is het criterium?
Dit wordt bepaald door het gegeven of een kind de voor een bepaalde leeftijdsfase geldende ontwikkelingstaak wel/niet/matig weet te realiseren. Met ontwikkelingstaken bedoelen we ontwikkelingsdoelen die per leeftijdsfase variëren (Van den Boom, 1999).

Ontwikkelingstaken
Bij de ontwikkelingstaken zijn de biologische taken belangrijker dan de taken die cultureel of historisch bepaald zijn. Bijvoorbeeld: het hanteren van de lichamelijke veranderingen in de puberteit is onontkoombaar. Een voorbeeld van een culturele taak is het ontwikkelen van sociale en contactuele vaardigheden. Als meer historisch bepaalde taak kun je denken aan het goed/snel kunnen lezen wat gegeven de kennismaatschappij van nu (bijv. ten behoeve van computergebruik) onmisbaar is geworden.
Bij het leren hanteren van de ontwikkelingstaken speelt de sociale omgeving een dubbele rol: aan de ene kant stelt de omgeving bepaalde eisen en aan de andere kant helpt die omgeving om ontwikkelingstaken zo goed mogelijk te realiseren. Dit houdt bijvoorbeeld ook in dat de omgeving je voorziet van de materiële voorwaarden zoals voeding, kleding en het inschakelen van materiële hulpmiddelen zoals een bril, medicatie, leermiddelen etc.

Ontwikkelingstaken voor 0-18 jaar (Van den Boom, 1999):

fase
Leeftijd
Ontwikkelingstaak
1
2
3
4

5
6


7
8
9
10
11
12
13
0-3 mnd
3-6 mnd
6-12 mnd
1-1½ jr

1½-2½ jr
2½-4½ jr


4½-6 jr
6-8 jr
6-10 jr
10-12 jr
12-14 jr
14-16 jr
16-18 jr
1.fysiologische regulering
2.hanteren van spanning
3.effectief aangaan hechtingsrelatie
4.onderzoeksfase en het zich meester maken van zaken
5.autonomie
6.hanteren van impulsen, sekserol identificatie, omgang met leeftijdgenootjes
7.sociale rollen
8.groepsparticipatie, schoolse leren
9..vriendschappen
10.zelfwaardering
11.puberteit
12.zelfevaluatie
13.toekomstperspectief
Bij dit schema lijkt het erop dat alles elkaar netjes opvolgt, dus eerst rond je de ene fase af voor de volgende begint. Maar dat is niet altijd het geval.
Zo kan een kind dat niet veilig gehecht is (fase 3), belemmerd worden in zijn ontdekkingstocht door de buitenwereld en zich snel bedreigd voelen (fase 4).
Een kind dat zijn impulsen niet kan reguleren, dus bijvoorbeeld begint te schoppen en slaan als iets hem in de weg zit, zal belemmerd worden in de omgang met leeftijdsgenootjes (fase 6) en het ontwikkelen van vriendschappen (fase 9).


lees verder »


POPS-onderzoek
In 1983 is gestart met het POPS-onderzoek. POPS staat voor Project On Preterm and Small for gestational age infants. Op gezette tijden worden alle kinderen die in dat jaar zeer prematuur (< 32 weken) of met een zeer laag geboortegewicht < 1500 gram) zijn geboren, onderzocht.

10 jaar

Op 10-jarige leeftijd is specifiek gekeken naar leer-, gedrags- en opvoedingsproblemen van deze kinderen. Uit de resultaten komt naar voren dat deze kinderen op de schoolleeftijd het gemiddeld minder goed doen dan hun leeftijdsgenootjes uit de algemene bevolking. Er is sprake van meer sociale gedragsproblemen en meer aandachtsproblemen, maar wat betreft delinquent en agressief gedrag, wijken ze niet af.
Er zijn meer kinderen met een beneden-gemiddeld intelligentieniveau en het leren vordert minder vlot. Veel kinderen hebben een sterke neiging tot sociaal wenselijk gedrag. Aan de kant van de ouders komt een overbeschermende opvoedingsstijl naar voren.

Individueel
Het gaat hier om karakteristieken van een grote groep onderzochte prematuur geborenen. Maar geen enkel kind is een gemiddeld kind, dus de generalisaties zijn niet op ieder kind individueel van toepassing. Het kan daarom zinvol zijn om bij ontwikkelingsproblemen een individueel diagnostisch onderzoek te verrichten waarin de situatie van dit kind met deze ouders of ouder en deze specifieke opvoedingsomstandigheden wordt betrokken zodat de adviezen en hulp op maat gekozen kunnen worden.
Dit onderzoek kan gedaan worden door (ontwikkelings-)psychologen, (ortho-)pedagogen, neuropsychologen, via Jeugdzorg, schoolbegeleidingsdiensten, sommige afdelingen Kindergeneeskunde of particuliere adviesbureaus.

Promotieonderzoek
Het POPS-onderzoek maakt onderscheid tussen een ‘stoornis’, ‘beperking’ en 'handicap', conform de criteria van de World Health Organization (WHO).In totaal was van de POPS-kinderen die in leven gebleven zijn 14% gehandicapt (8% licht en 6% ernstig). In het promotieonderzoek van orthopedagoge Elske Sigmond-de Bruin wil ze zicht krijgen op de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van te vroeg geboren kinderen - in dit geval de POPS-kinderen op 10-jarige leeftijd. Uit onderzoek weten we dat preterm geboren kinderen in de schoolleeftijd over het algemeen minder goed scoren dan de vergelijkingsgroepen.

Het onderzoek
Het onderzoek op de leeftijd van tien jaar bestond uit twee fasen.
Eerste fase:
Voor de eerste fase zijn de ouders van de 927 kinderen benaderd die op vijfjarige leeftijd hebben deelgenomen aan het POPS-ondezoek. Aan hen is gevraagd om vragenlijsten in te vullen over de gezondheid en het gedrag van het kind. Via de ouders is ook aan de leerkrachten gevraagd om een vragenlijst in te vullen, en ook de kinderen zelf kregen een eigen vragenlijst die ze invulden onder toezicht van de leerkracht. Ruim 70% van de gevraagden deden mee aan het onderzoek. Van de categorie gehandicapte kinderen en kinderen met een beperking deden een aantal niet mee aan het onderzoek, en ook van de kinderen uit gezinnen met het laagste opleidingsniveau.
Tweede fase:
Ten behoeve van nader individueel onderzoek van de intelligentie en leervorderingen bij de kinderen en van opvoedingsfactoren bij de ouders, zijn 220 willekeurige gezinnen benaderd voor diepgaander onderzoek. Hiervan reageerde 82% positief op het verzoek aan dit onderzoek mee te werken. Het vond bij de gezinnen thuis plaats en werd uitgevoerd door speciaal daarvoor getrainde onderzoekers. Onder de 181 kinderen bevonden zich 14 ernstig gehandicapte kinderen die door hun specifieke problematiek meestal niet met dezelfde onderzoeksinstrumenten onderzocht konden worden als de andere 167 kinderen. Daarvoor zijn andere methoden gebruikt dan voor de niet ernstig gehandicapte kinderen. Voor deze groep van 167 tien-/elfjarigen bestond het onderzoeksprogramma uit een intelligentietest, de Eén-Minuut-Test voor technisch lezen, een spellingstest in de vorm van een woorddictee uit de Praxis-35 en een rekentest. Ook de ouders kregen weer vragenlijsten om in te vullen.

Resultaten
School
Uit de resultaten komt naar voren dat de kinderen die ernstig prematuur waren, het op de leeftijd van tien à elf jaar minder goed doen dan hun leeftijdgenootjes uit de algemene Nederlandse bevolking. De cognitieve problemen waarop ze stuiten betreffen slechtere schoolprestaties, minder leervorderingen en een relatief lager IQ.
Het blijkt dat op tien-/elfjarige leeftijd 88 van de 181 (49%) kinderen van de steekproef op het reguliere basisonderwijs zit zonder ooit te hebben gedoubleerd. De overige kinderen volgen het reguliere basisonderwijs maar hebben gedoubleerd (24%), óf volgen speciaal onderwijs (19%), óf zijn ernstig gehandicapt met daarop aansluitend speciaal onderwijs c.q. speciale opvang (8%).
Ter vergelijking: in datzelfde jaar zat ongeveer 8% van de tienjarige kinderen in het speciaal onderwijs (bron: C.B.S.).

Sociaal-emotioneel

Wat betreft de sociaal-emotionele ontwikkeling is er sprake van minder goed sociaal functioneren. Er zijn meer sociale gedragsproblemen en meer aandachtsproblemen in vergelijking met leeftijdgenootjes. Het is opmerkelijk dat als je het aan de ouders vraagt, zij vinden dat jongens ernstigere problemen hebben, terwijl meisjes volgens de leerkracht degenen zijn die opvallen door probleemgedrag.
De kinderen zelf hebben een sterke neiging tot sociaal wenselijk gedrag; ten gevolge hiervan presenteren zij zichzelf zelfs positiever dan de kinderen uit de controle-groep. Jongens en meisjes zijn op dit punt hetzelfde. Er zijn twee mogelijke verklaringen voor deze uitkomst. In de eerste plaats kunnen de kinderen zich erg afhankelijk van hun ouders voelen waardoor ze antwoorden conform de verwachtingen van hun ouders. Daarnaast kan het een kwestie van gebrek aan zelfkennis zijn waarbij de kinderen zich niet goed bewust zijn van hun relatief sterke en zwakke kanten.

Ontwikkeling tussen vijf en tien jaar
Over de ontwikkeling tussen vijf en tien jaar is alleen wat te zeggen van het probleemgedrag, omdat dit op beide leeftijden op dezelfde manier gemeten is. Meisjes laten een positieve ontwikkeling zien over deze periode: zij komen dichter in de buurt van de norm voor meisjes van dezelfde leeftijd. Bij jongens lijkt de ontwikkeling stabiel in de zin dat hun afstand tot de jongens uit de algemene bevolking gelijk blijft.
De sociaal economische status, bijvoorbeeld het opleidingsniveau van de ouders, is kenmerkend om het gedrag in verschillende gebieden van de ontwikkeling te verklaren. Van de gezinnen van de POPS-kinderen hebben er relatief meer een lagere sociaal economische status dan in de algemene bevolking, en dat heeft vaak een (ongunstige) invloed. Het IQ is een belangrijke voorspeller van schoolprestaties, aandachtsproblemen en in het bijzonder voor leervorderingen. Daarnaast vormt ook stress bij de ouders een verklaring voor het sociaal-emotioneel functioneren van het kind. Ook de ernst van de stoornissen die al bij eerdere onderzoeken (op vijfjarige leeftijd) waren gezien, zijn sterk bepalend voor het functioneren van het kind op tien jaar en dit vertoont tegelijkertijd ook samenhang met de mate van ouderlijke stress. Omgekeerd betekent een grote mate van ouderlijke stress op zijn beurt een minder gunstige invloed voor de verdere ontwikkeling van het kind. Niet duidelijk is of de stress bij ouders een enigszins constante factor is of dat die in de loop der tijd schommelt, omdat de stress bij ouders niet eerder onderzocht is.

Samenvattend geven de uitkomsten aan dat de POPS-kinderen er vaak niet in slagen om de leeftijdsgebonden ontwikkelingstaken op een voldoende niveau of op een passende wijze uit te voeren. De ernst en mate van stoornissen, beperkingen en handicaps spelen hierbij vanaf het begin een rol.
Afgezien van het belang om van jongs af aan de lichamelijke ontwikkeling van de kinderen goed te begeleiden en daar waar mogelijk/wenselijk medisch en para-medisch te behandelen, is het dringend gewenst om de interactie tussen ouders en kinderen te begeleiden zodat de kinderen zo goed mogelijk ondersteund worden bij het leren oplossen van de ontwikkelingstaken. De sterke samenhang tussen ouderlijke stress en het sociaal-emotionele functioneren van het kind onderbouwt deze aanbeveling.
Ook indien het kind geen beperkingen of handicaps heeft, is het niet altijd zo dat het kind de juiste ondersteuning krijgt van de ouders, want ook dan zie je de neiging tot overbezorgdheid, die lijkt samen te hangen met het hebben van een te vroeg geboren kind.
In opeenvolgende leeftijdsfasen worden andere eisen en verwachtingen aan het kind gesteld en zijn andere aspecten van ontwikkeling en opvoeding punt van aandacht. De in dit onderzoek verkregen inzichten kunnen benut worden om de opvoeding van een preterm geboren kind te ondersteunen; deze ondersteuning dient per kind en opvoedingssituatie nader gespecificeerd te worden.
Bron: Elske M. Sigmond - de Bruin, orthopedagoge

Hieronder vindt u in Word zowel de korte als de uitgebreide samenvatting van haar proefschrift, en ook nog een Engelstalige versie.
specialisme:


Bijlagen

doc conclusions pops 10.doc
doc samenvatting lang pops 10.doc
doc samenvatting kort pops 10.doc

Thema's