Voeding, spraak » Combinatie met aandoeningen
Een van de oorzaken van voedingsproblemen van conditionele en anatomische aard is CLD* – vroeger BPD* genoemd (een longziekte). Vaak houden de voedselproblemen aan, ook nadat de longproblematiek zo goed als verdwenen is.
Tijdens het slikken (lees: eten) wordt de ademhaling een kort moment onderbroken. Normaal gesproken slikt een kind in een natuurlijke adempauze, en past het zuig-slik ritme zich aan, aan de ademfrequentie. Bij sommige kinderen met longziektes is er nauwelijks sprake van een adempauze, na enkele keren slikken wordt het kind dus benauwd.
Het kind heeft vaak een lange periode van sondevoeding en alleen maar negatieve ervaringen in het mondgebied opgedaan waardoor eten geen aangename handeling is geworden. Vaak zijn deze kinderen benauwd en hebben zij alle energie nodig om te ademen.
Een ander voorbeeld van conditionele aard is een kind met hartproblemen. Ook zij ervaren benauwdheid en kunnen hierdoor stoppen met eten.
Een kind met een neurologische aandoening kan ernstige motorische beperkingen hebben, dat normale willekeurige mondbewegingen niet mogelijk zijn en het voeden ernstig verstoord wordt.
Een kind met spijsverteringsproblemen door bijvoorbeeld allergie of ernstige obstipatie zal ook niet goed eten of stoppen met eten omdat het voedsel niet goed verwerkt wordt, en het eten geen prettige bezigheid is.
Ook hier is verwijzing naar een gespecialiseerde logopedist (pre-logopedist) noodzakelijk.
Bron: Kleine Maatjes jan 2003