Voeding, spraak » Spraak- en mondproblemen
Spraak en mondproblemen
Veel studies van prematuren en zuigelingen met een verhoogd risico melden dat een aantal van deze kinderen in meerdere of mindere mate een achterstand oplopen op één of verschillende gebieden van de ontwikkeling. De ontwikkeling van de spraak vormt geen uitzondering op dit gegeven. Hoe de spraak-taal ontwikkeling bij een te vroeg geboren kind zal verlopen is niet algemeen voorspelbaar.
Pre-logopedie
Het logopedische aspect komt aan de orde bij kinderen die laat, niet of nauwelijks gaan praten, slecht articuleren of stotteren. Afhankelijk van de fase waar het kind in zit, kunnen er adviezen en therapie gegeven worden door een logopedist of pre-logopedist.
Bij een kind dat laat gaat praten, moet ook de samenhang met zijn motorische ontwikkeling bekeken worden. Taal kan pas goed op gang komen als het kind kan lopen. Samenwerking met een ergo- of fysiotherapeut kan een grote rol spelen. Er zijn bepaalde technieken om klanken uit te lokken, bijvoorbeeld het aanleren van klankgebaren, of door veel met het kind te zingen, of door iets trager tegen het kind te praten in korte, duidelijke zinnen. De logopedist begeleidt de ouders en leert ze de technieken in de praktijk toe te passen.
Bij kinderen met articulatiestoornissen wordt geanalyseerd wat het kind wel en niet kan zeggen. Met lichaams- lip- en tongoefeningen worden klanken aangeleerd en wordt het kind bewust gemaakt van een onduidelijke spraak. Veel voorkomende articulatie-fouten zijn: de k als een t uitspreken, of de f, v en w niet kunnen zeggen. Ook hebben kinderen nogal eens moeite met het clusteren van medeklinkers (spelen = selen, knoop = noop, schoenen = soeën).
Ook voor kinderen die niet of nauwelijks gaan praten, bijv als gevolg van een (ernstige) handicap, zijn er mogelijkheden om andere manieren te leren communiceren, door het aanleren van een non-verbale taal. Dit gaat tegenwoordig ook vaak met hulp van computers.
Veel studies van prematuren en zuigelingen met een verhoogd risico melden dat een aantal van deze kinderen in meerdere of mindere mate een achterstand oplopen op één of verschillende gebieden van de ontwikkeling. De ontwikkeling van de spraak vormt geen uitzondering op dit gegeven. Hoe de spraak-taal ontwikkeling bij een te vroeg geboren kind zal verlopen is niet algemeen voorspelbaar.
Te vroeg geboren kinderen hebben in het algemeen gesproken meer problemen met articuleren. Verkeerd taalgebruik en stotteren komen vaker voor dan bij op tijd geboren kinderen. Uit onderzoek in Zwitserland blijkt dat te vroeg geboren kinderen drie keer vaker logopedie krijgen dan op tijd geboren kinderen.
Bij alle kinderen is het zo dat iedere ervaring die een kind opdoet, een bijdrage levert aan zijn of haar ontwikkeling. Dat is ook zo bij een kind dat te vroeg geboren wordt: hij maakt heel veel mee en het kan niet anders dan dat dat zijn ontwikkeling beïnvloedt. De sensomotorische ontwikkeling (ontwikkeling van gevoel en bewegen), het gehoor en het gezichtsvermogen leveren een bijdrage aan de voorbereiding van de spraak-taal-ontwikkeling.
Een op tijd geboren kind heeft direct na de geboorte een aantal reflexen (tepelzoekreflex, zuig-slikreflex, kokhalsreflex) die een functie hebben bij de ontwikkeling van de mondmotoriek. Ongerichte ervaringen gaan vooraf aan bewuste acties. Vanuit de reflexen ontwikkelt het kind vaardigheden die hij nodig heeft voor zijn totale ontwikkeling. In het begin is de mond het belangrijkste zintuig. Daarmee verkent hij zijn wereld.
Normale ontwikkeling spraak
Na 3 – 4 maanden begint een kind te brabbelen, ongericht, maar essentieel voor de spraakmotoriek. Wanneer het kind leert zich om te rollen, veranderen ook de mogelijkheden voor spraak: de tong gaat anders bewegen en er ontwikkelen zich klanken en klankpatronen.
De mond geeft nog steeds de meeste informatie over een voorwerp, maar langzaamaan nemen de handen dit over. Wanneer de handen bewuster gebruikt kunnen worden, geven die weer allerlei nieuwe mogelijkheden: je kunt een speeltje overpakken, je kunt in je handen klappen enz. Als het kind gaat kruipen ontdekt hij nog veel meer. Dit is bij uitstek de periode om alles wat er gebeurt zelf te begeleiden met uitgebreid gebrabbel. Deze monologen zijn weer een goede oefening voor de uiteindelijke spraak.
In de periode dat een kind gaat lopen, begrijpt hij meestal ook dat zijn ervaringen met woorden te benoemen zijn. Je ziet dan ook dat een kind woordjes gaat gebruiken. De hele sensomotorische ontwikkeling speelt een grote rol voor de spraakontwikkeling.
Daarnaast speelt eten en drinken ook een grote rol bij de ontwikkeling van de mondmotoriek.
Hiaten in ontwikkeling
Wanneer er hiaten in deze ontwikkeling zitten, bijvoorbeeld doordat het kind lang in het ziekenhuis heeft gelegen, of de mondmotoriek is door langdurige beademing of sondevoeding verstoord, kan dat gevolgen hebben voor de spraakontwikkeling. Ook bij een kind dat vertraagd is in zijn motoriek, kan de spraakontwikkeling vertraagd verlopen. Wanneer een kind bezig is zijn motoriek te ontwikkelen, kan het ook zijn dat er weinig energie overblijft voor de spraak-taal-ontwikkeling.
Omdat drinken (en eten) vaak ook problemen geeft bij te vroeg geboren kinderen, en heeft dus ook minder kans zijn aangezichtsspieren goed te gebruiken en te oefenen. (zie ook bij voeding en voedingsproblemen).
Vaak wordt nog gedacht dat logopedie pas kan worden ingeschakeld als spraak-taal-ontwikkeling niet of laat op gang komt. Maar ook in de belangrijke voorbereidende fase kan worden doorverwezen naar een pre-logopedist (alles wat vóór taal komt).
Pre-logopedie
Het logopedische aspect komt aan de orde bij kinderen die laat, niet of nauwelijks gaan praten, slecht articuleren of stotteren. Afhankelijk van de fase waar het kind in zit, kunnen er adviezen en therapie gegeven worden door een logopedist of pre-logopedist.
Bij een kind dat laat gaat praten, moet ook de samenhang met zijn motorische ontwikkeling bekeken worden. Taal kan pas goed op gang komen als het kind kan lopen. Samenwerking met een ergo- of fysiotherapeut kan een grote rol spelen. Er zijn bepaalde technieken om klanken uit te lokken, bijvoorbeeld het aanleren van klankgebaren, of door veel met het kind te zingen, of door iets trager tegen het kind te praten in korte, duidelijke zinnen. De logopedist begeleidt de ouders en leert ze de technieken in de praktijk toe te passen.
Bij kinderen met articulatiestoornissen wordt geanalyseerd wat het kind wel en niet kan zeggen. Met lichaams- lip- en tongoefeningen worden klanken aangeleerd en wordt het kind bewust gemaakt van een onduidelijke spraak. Veel voorkomende articulatie-fouten zijn: de k als een t uitspreken, of de f, v en w niet kunnen zeggen. Ook hebben kinderen nogal eens moeite met het clusteren van medeklinkers (spelen = selen, knoop = noop, schoenen = soeën).
Ook voor kinderen die niet of nauwelijks gaan praten, bijv als gevolg van een (ernstige) handicap, zijn er mogelijkheden om andere manieren te leren communiceren, door het aanleren van een non-verbale taal. Dit gaat tegenwoordig ook vaak met hulp van computers.
specialisme: 