Voor de geboorte » Geheugen en angst

Ouders die geconfronteerd worden met een premature geboorte van hun baby krijgen vaak complexe informatie op een moment waarop het voor hen heel moeilijk is om zich te concentreren en besluiten te nemen. Een Canadese studie heeft gekeken naar de communicatie tussen doktoren en ouders in deze omstandigheden.
In Ontario kregen 49 zwangere vrouwen die te vroeg bevielen (tussen 23 en 30 weken) een enquête over wat hen werd verteld tijdens de bevalling en een lijst met vragen om de mate van hun angst op dat moment te meten. De doktoren werd gevraagd wat zij hadden gezegd. Er waren duidelijke verschillen tussen datgene wat de ouders zich herinnerden en datgene wat de doktoren zeiden dat ze verteld hadden.
De standaard praktijk in dit ziekenhuis was om aanstaande moeders te informeren over de complicaties van de zwangerschap, de perspectieven voor moeder en baby en wat de opties zijn ten aanzien van de zorg voor de baby na de geboorte. Dit werd gedaan door de behandelende gynaecoloog en later door de neonatoloog.
Ouders vulden de enquête binnen 24 uur nadat ze de informatie hadden gekregen in. Als allebei de ouders aanwezig waren werd hen gevraagd om samen de enquête in te vullen. Het was niet verrassend dat de antwoorden van moeders die hoge angstscores hadden het minst correspondeerden met datgene wat de doktoren zeiden te hebben gezegd. Het is bekend dat angst het geheugen kan beïnvloeden.
Er was grote overeenkomst tussen datgene wat ouders en doktoren zich herinnerden over het gesprek over de complicaties van de zwangerschap. Maar er waren een aantal gevallen waarbij de dokters zich herinnerden met de ouders te hebben gesproken over de complicaties terwijl de ouders zich dit niet herinnerden en andersom. Bijvoorbeeld zei een kwart van de doktoren dat ze hadden gesproken over de groei van de baby, maar sommige ouders zeiden dat dit niet aan hen was verteld. Terwijl een kwart van de ouders zich herinnerde dat er geen plan was gemaakt hoe het verder moest met de baby, meldden de doktoren dat ze dit wel hadden besproken. In 34% van de gevallen zeiden ouders zich te herinneren dat hierover was gesproken terwijl de doktoren zeiden dat ze het niet hadden benoemd. 37% van de doktoren zei dat ze de mogelijke problemen met de voeding en het vasthouden van de baby hadden besproken terwijl ouders zich dit niet herinnerden.
Vrouwen werden gevraagd of ze liever hadden dat de dokter hen adviseerde over wat er met de zwangerschap zou moeten gebeuren of dat ze zelf de beslissing wilden nemen. Slechts 27% van de ouders dacht dat ze liever wilden dat de dokter de leiding nam, terwijl 79% van de doktoren dacht dat ouders liever hadden dat hij hen zou adviseren. Dit betekent dat bijna in de helft van de gevallen waar deze test werd gedaan, de ouders een tegenovergestelde mening hadden dan de dokter.
De auteurs zien graag dat er verbeteringen ten aanzien van de communicatie en het nemen van beslissingen worden ingezet als een premature baby 'onderweg is'.
Bron: Jean Robinson’s research round-up AIMS Journal vol 15 no 1 2003. Reference Zupancic J. et al. Characterising doctor-parent communication in counselling for impending preterm delivery. Arch Dis Child Fetal Neonatal Ed, 2002; 87: p 113-7
Artikel overgenomen uit het Tijdschrift Samen Bevallen, oktober 2005, nr 3.

specialisme:

Thema's